Catullus 67 Vertaling
Inleiding
In Catullus 67 schrijft de dichter een stuk dat op niets anders lijkt wat hij heeft geschreven. Aan het begin van het gedicht spreekt hij tot de deur van een huis. De vorige meester van het huis is gestorven en nu trekt een jongere meester in, waardoor de deur verandert.
De deur antwoordt en vertelt Catullus dat de nieuwe eigenaar Caecilius is, de dichter uit Catullus 35. De deur verdedigt zijn handelen en vertelt Catullus dat niemand vraagt om hem te gebruiken — ze gebruiken hem gewoon. Catullus en de deur voeren een kort gesprek over de vraag of de deur schuld draagt aan de immorele daden die achter hem plaatsvinden. De deur gelooft niet dat hij schuldig is.
Het blijkt dat er enkele immorele daden achter de deur hebben plaatsgevonden. De vrouw die er woont verloor haar maagdelijkheid niet aan haar echtgenoot. Catullus gebruikt een metafoor om te beschrijven dat de man des huizes geen erectie kan krijgen. Catullus noemt zijn penis een slappe dolk. In plaats daarvan verloor de vrouw des huizes haar maagdelijkheid aan de vader van haar echtgenoot. De vader deed dit mogelijk omdat zijn zoon het niet kon of omdat zijn geest vervuld was van blinde wellust. Volgens de deur had het paar “iets krachtigs” nodig.
Catullus gebruikt sarcasme wanneer hij antwoordt dat de vader wel een buitengewone liefde voor zijn zoon moest hebben, zodat hij in zijn schoot urineerde. Volgens de deur weet een vrouw genaamd Brixia van het verhaal. Zij kent ook verscheidene andere verhalen over overspeelsters. Catullus vraagt wat de deur verder nog weet, aangezien hij alleen maar opent en sluit zonder weg te gaan.
De deur antwoordt door op te merken hoeveel de vrouw onthult omdat ze niet denkt dat de deur luistert. Volgens wat de deur heeft gehoord, heeft deze vrouw ook intieme betrekkingen gehad met een roodharige man die lang is en ooit beschuldigd werd van het bezwangeren van een vrouw.
Dit polymetrische gedicht is een rariteit voor Catullus, hoewel hij er een paar andere heeft geschreven. De keuze voor de deur is uniek, maar niet geheel ongebruikelijk. In het gedicht van Ovidius over Pyramus en Thisbe speelt de muur een bijrol.
Carmen 67
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| Catullus | Catullus | |
| 1 | O DVLCI iucunda uiro, iucunda parenti, | GEGROET, huisdeur, eens dierbaar aan een geliefde echtgenoot en aan zijn vader; |
| 2 | salue, teque bona Iuppiter auctet ope, | gegroet, en moge Jupiter u zegenen met welwillende hulp; |
| 3 | ianua, quam Balbo dicunt seruisse benigne | gij deur, die ooit, zo zegt men, trouwe dienst bewees aan Balbus, |
| 4 | olim, cum sedes ipse senex tenuit, | toen de oude man zelf het huis bewoonde, |
| 5 | quamque ferunt rursus gnato seruisse maligne, | en die sindsdien, zo vertelt men, onwillig dienst doet aan zijn zoon, |
| 6 | postquam es porrecto facta marita sene. | nu de oude man dood is en opgebaard, en gij de deur van een getrouwd huishouden zijt geworden. |
| 7 | dic agedum nobis, quare mutata feraris | Vertel ons eens waarom men zegt dat gij veranderd zijt, |
| 8 | in dominum ueterem deseruisse fidem. | en uw oude trouw aan uw meester hebt opgegeven. |
| Ianua | Deur | |
| 9 | Non (ita Caecilio placeam, cui tradita nunc sum) | Het is niet — zo moge ik Caecilius behagen, aan wie ik nu toebehoor — |
| 10 | culpa mea est, quamquam dicitur esse mea, | het is niet mijn schuld, hoewel men zegt dat het de mijne is, |
| 11 | nec peccatum a me quisquam pote dicere quicquam: | noch kan iemand spreken van enig kwaad door mij begaan. |
| 12 | uerum istius populi ianua qui te facit, | Maar natuurlijk willen de mensen het zo dat de deur alles doet; |
| 13 | qui quacumque aliquid reperitur non bene factum | allen, zodra er enige wandaad ontdekt wordt, |
| 14 | ad me omnes clamant: ianua, culpa tua est. | roepen zij mij toe: “Huisdeur, het is uw schuld.” |
| Catullus | Catullus | |
| 15 | Non istuc satis est uno te dicere uerbo. | Het is niet genoeg om dat met een enkel woord te zeggen, |
| 16 | sed facere ut quiuis sentiat et uideat. | maar het zo te doen dat eenieder het voelt en ziet. |
| Ianua | Deur | |
| 17 | Qui possum? nemo quaerit nec scire laborat? | Hoe kan ik dat? Niemand vraagt ernaar of wil het weten. |
| Catullus | Catullus | |
| 18 | Nos uolumus: nobis dicere ne dubita. | Ik wil het weten — aarzel niet het mij te vertellen. |
| Ianua | Deur | |
| 19 | Primum igitur, uirgo quod fertur tradita nobis, | Allereerst dan: dat zij als maagd aan ons werd overgedragen is onwaar. |
| 20 | falsum est. non illam uir prior attigerit, | Zij gaf haar maagdelijkheid niet aan haar echtgenoot, |
| 21 | languidior tenera cui pendens sicula beta. | wiens slappe dolk hing als een zachte biet |
| 22 | numquam se mediam sustulit ad tunicam; | en zich nooit kon oprichten tot het midden van zijn tuniek; |
| 23 | sed pater illius gnati uiolasse cubile | maar zijn vader zou het bed van zijn zoon hebben geschonden |
| 24 | dicitur et miseram conscelerasse domum, | en het ellendige huis met zijn misdaad hebben bezoedeld, |
| 25 | siue quod impia mens caeco flagrabat amore, | hetzij omdat zijn goddeloze geest brandde van blinde wellust, |
| 26 | seu quod iners sterili semine natus erat, | hetzij omdat zijn zoon onbekwaam was en geen kinderen kon verwekken, |
| 27 | ut quaerendum unde foret neruosius illud, | en zij iets krachtiger moesten zoeken |
| 28 | quod posset zonam soluere uirgineam. | dat haar gordel der maagdelijkheid kon losmaken. |
| Catullus | Catullus | |
| 29 | Egregium narras mira pietate parentem. | Gij vertelt over een vader van buitengewone genegenheid |
| 30 | qui ipse sui gnati minxerit in gremium. | die in de schoot van zijn eigen zoon urineerde. |
| Ianua | Deur | |
| 31 | Atqui non solum hoc dicit se cognitum habere | En toch zegt Brixia dat zij niet alleen dit goed weet, |
| 32 | Brixia Cycneae supposita speculae, | Brixia dat dicht onder de burcht van Chinea ligt, |
| 33 | flauus quam molli praecurrit flumine Mella, | de stad waardoorheen de zachte stroom van de gouden Melo vloeit, |
| 34 | Brixia Veronae mater amata meae, | Brixia, geliefde moeder van mijn eigen Verona; |
| 35 | sed de Postumio et Corneli narrat amore, | maar zij vertelt ook verhalen over Postumius en de amourettes van Cornelius, |
| 36 | cum quibus illa malum fecit adulterium. | met wie zij verdorven overspel pleegde. |
| Catullus | Catullus | |
| 37 | dixerit hic aliquis: quid? tu istaec, ianua, nosti, | Hier zal iemand zeggen: “Wat, huisdeur, weet gij dit allemaal, |
| 38 | cui numquam domini limine abesse licet, | gij die nooit van de drempel van uw meester weg moogt, |
| 39 | nec populum auscultare, sed hic suffixa tigillo | noch de mensen kunt horen praten, maar vast aan deze deurpost |
| 40 | tantum operire soles aut aperire domum? | niets anders te doen hebt dan het huis sluiten of openen?” |
| Ianua | Deur | |
| 41 | saepe illam audiui furtiua uoce loquentem | Ik heb haar vaak horen vertellen over deze schandalen van haar |
| 42 | solam cum ancillis haec sua flagitia, | met gedempte stem, alleen met haar dienstmeisjes, |
| 43 | nomine dicentem quos diximus, utpote quae mi | bij name noemend wie ik noemde; zij dacht ongetwijfeld |
| 44 | speraret nec linguam esse nec auriculam. | dat ik noch tong noch oor had. |
| 45 | praeterea addebat quendam, quem dicere nolo | Bovendien noemde zij iemand die ik liever niet bij naam noem, |
| 46 | nomine, ne tollat rubra supercilia. | opdat hij niet zijn rode wenkbrauwen zou optrekken. |
| 47 | longus homo est, magnas cui lites intulit olim | Hij is een lange man, die ooit in een groot proces verwikkeld raakte, |
| 48 | falsum mendaci uentre puerperium. | vanwege een valselijk toegeschreven bevalling. |
