Apocolocyntosis
(Satire, Latijn/Romeins, ca. 55 n.Chr., 246 regels)
Inleiding
“Apocolocyntosis” (Grieks: “Apokolokyntosis”) of “Apocolocyntosis divi Claudii”, gewoonlijk vertaald als “De Verpompoening van Claudius”, is een politieke satire over de Romeinse keizer Claudius, waarschijnlijk geschreven door Seneca de Jongere rond 55 n.Chr. Het is een mengeling van proza en poezie en volgt de overleden keizer Claudius wanneer hij bij de goden het recht opeist om als goddelijk te worden beschouwd, zoals andere Romeinse keizers voor hem, maar jammerlijk faalt wanneer zijn beruchte misdaden en andere tekortkomingen in aanmerking worden genomen.
Samenvatting
Dramatis Personae
- CLAUDIUS, overleden keizer van Rome
- HERCULES
- DIVERSE CORRUPTE PERSONAGES
- AUGUSTUS, overleden keizer van Rome
- CALIGULA, overleden keizer van Rome
Het werk beschrijft de dood van Claudius, zijn opgang naar de hemel en het oordeel door de goden, en zijn uiteindelijke afdaling naar Hades. Bij elke wending bespot Seneca de persoonlijke gebreken van de overleden keizer, met name zijn arrogante wreedheid en zijn onverstaanbaarheid.
Nadat Apollo Clotho (de Schikgodin die verantwoordelijk is voor het spinnen van de levensdraad) overhaalt een einde te maken aan het leven van keizer Claudius, wandelt deze naar de Olympus, waar hij Hercules ervan overtuigt de goden zijn verzoek tot vergodlijking te laten horen in een zitting van de goddelijke senaat. De procedure lijkt aanvankelijk in het voordeel van Claudius te verlopen, totdat zijn illustere voorganger, keizer Augustus, een lange en oprechte toespraak houdt waarin hij enkele van Claudius’ beruchtste misdaden opsomt. Uiteindelijk wordt Claudius’ verzoek afgewezen en begeleidt Mercurius hem naar beneden, naar Hades (de onderwereld).
Onderweg zijn zij getuige van Claudius’ eigen begrafenisstoet, waarin een stel corrupte figuren het verlies betreurt van de eeuwige Saturnalia van zijn bewind. In Hades wordt Claudius begroet door de geesten van alle vrienden die hij heeft vermoord, die hem meeslepen om bestraft te worden. De straf van de goden is dat Claudius (berucht om onder andere zijn gokverslaving) veroordeeld wordt om voor eeuwig te dobbelen met een beker zonder bodem, zodat elke keer als hij de dobbelstenen probeert te gooien, deze eruit vallen en hij de grond moet afzoeken.
Plotseling verschijnt zijn directe voorganger Caligula, die beweert dat Claudius een voormalige slaaf van hem is, en draagt hem over als klerk bij het gerechtshof van de onderwereld.
Analyse
“Apocolocyntosis” is het enige bewaard gebleven voorbeeld uit de klassieke Oudheid — met mogelijke uitzondering van de “Satyricon” van Petronius — van wat bekend is geworden als “Menippeische satire”, een term die in brede zin verwijst naar prozasatires (in tegenstelling tot de verssatires van Juvenalis en anderen) die rapsodisch van aard zijn, en vele verschillende doelwitten van spot combineren in een gefragmenteerd satirisch verhaal dat lijkt op een roman.
Het werk staat ver af van Seneca’s andere werken, die serieuze filosofische werken of tragedies zijn. Helaas zitten er grote lacunes in de tekst, waaronder veel van de toespraken van de goden tijdens de hoorzitting van Claudius voor de goddelijke senaat.
De titel “Apocolocyntosis” (gelatiniseerd Grieks voor “verpompoening” of “verkalebassing”) is een woordspeling op “apotheose”, oftewel de verheffing tot het goddelijke, het proces waarmee overleden Romeinse keizers werden vergoddelijkt of als goden erkend. In de manuscripten draagt het anonieme werk de titel “Ludus de morte Divi Claudii” (“Spel over de Dood van de Goddelijke Claudius”), en de titel “Apokolokyntosis” of “Apocolocyntosis” werd eraan gegeven door de tweede-eeuwse Griekstalige Romeinse geschiedschrijver Dio Cassius, hoewel een dergelijke groente nergens in de tekst wordt genoemd. Hoewel het werk zoals het tot ons is gekomen door de antieke traditie aan Seneca wordt toegeschreven, is het dus onmogelijk om te bewijzen dat het definitief van hem is, noch om te bewijzen dat het dat niet is.
Seneca had persoonlijke redenen om keizer Claudius te bespotten, aangezien de keizer hem van 41 tot 49 n.Chr. naar Corsica had verbannen, en tegen de tijd dat het werk werd geschreven, had het politieke klimaat na de dood van de keizer (in 54 n.Chr.) aanvallen op hem wellicht aanvaardbaar gemaakt. Naast deze persoonlijke overwegingen lijkt Seneca zich echter ook te hebben beziggehouden met wat hij beschouwde als een overmatig gebruik van apotheose als politiek instrument, waarbij hij elders betoogde dat als een zo gebrekkige keizer als Claudius een dergelijke behandeling kon krijgen, de mensen helemaal niet meer in de goden zouden geloven.
Dit gezegd hebbende was Seneca niet vies van vleierij jegens de nieuwe keizer Nero; zo schreef hij bijvoorbeeld dat Nero langer zou leven en wijzer zou zijn dan de legendarische Nestor. De “Apocolocyntosis” zelf was mogelijk door de auteur bedoeld om zich in de gunst te werken bij Claudius’ opvolger Nero, in een tijd waarin Seneca zelf een belangrijk maar precair deel vormde van de macht achter de troon van de gevaarlijk zich ontwikkelende jonge keizer.
Bronnen
- Engelse vertaling door Allan Perley Ball (Forum Romanum): http://www.forumromanum.org/literature/apocolocyntosis.html
- Latijnse versie (The Latin Library): http://www.thelatinlibrary.com/sen/sen.apoc.shtml


