Plinius de Jongere

Classical

(Briefschrijver, Romeins, 61 – ca. 112 n.Chr.)

Inleiding

Plinius de Jongere was een succesvol advocaat, bestuurder en schrijver in het oude Rome. Door zijn vele gedetailleerde brieven (“Epistulae”) aan vrienden en bekenden is hij een van de bekendste van alle Romeinse schrijvers geworden.

Standbeeld van Plinius de Jongere, Romeins schrijver en bestuurder

Standbeeld van Plinius de Jongere

Biografie

Gaius Plinius Caecilius Secundus (bekend als Plinius de Jongere, ter onderscheiding van zijn oom, Gaius Plinius Secundus of Plinius de Oudere) werd geboren in 61 n.Chr. in Novum Comum (het huidige Como in Noord-Italië). Hij was van geboorte van hoge ridderstand, de lagere van de twee Romeinse aristocratische orden die de hoogste civiele en militaire functies monopoliseerden tijdens het vroege Romeinse Keizerrijk.

Zijn vader stierf toen Plinius nog jong was, en hij werd geadopteerd door zijn oom, Plinius de Oudere, de beroemde auteur van de “Naturalis Historia”, die Plinius vanaf jonge leeftijd had bewonderd. Tijdens de vele afwezigheden van zijn oom voor staatszaken woonde hij bij zijn moeder en werd een tijdlang thuis onderwezen door de consul en legerbevelhebber Lucius Verginius Rufus (die later een opstand tegen keizer Nero zou onderdrukken en vervolgens de keizerskroon zou weigeren).

Om zijn opleiding te vervolgen reisde hij ook naar Rome, waar hij retorica leerde van de grote leraar en auteur Quintilianus, en waar hij nauwer contact kreeg met zijn oom, voordat deze omkwam bij de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n.Chr. Als erfgenaam van het bezit van zijn succesvolle oom erfde hij verscheidene grote landgoederen en een indrukwekkende bibliotheek.

Hij werd beschouwd als een eerlijke en gematigde jonge man en klom snel op door de “cursus honorum”, de reeks burgerlijke en militaire ambten van het Romeinse Keizerrijk. Hij werd in 81 n.Chr. verkozen tot lid van de Raad van Tien, en vorderde tot de positie van quaestor op relatief jonge leeftijd (ongebruikelijk voor iemand van ridderstand), daarna tribuun, praetor en prefect, en ten slotte consul, het hoogste ambt in het Keizerrijk.

Schilderij van de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n.Chr.

Uitbarsting van de Vesuvius

Hij werd actief in het Romeinse rechtssysteem en stond bekend om het vervolgen en verdedigen bij de processen van een reeks provinciale gouverneurs, overleefde het grillige en gevaarlijke bewind van de paranoïde keizer Domitianus en vestigde zich als een nauw en vertrouwd adviseur van diens opvolger, keizer Trajanus.

Hij was een goede vriend van de historicus Tacitus, en had ook de biograaf Suetonius in dienst op zijn staf, maar hij kwam ook in contact met veel andere bekende intellectuelen van die tijd, waaronder de dichter Martialis en de filosofen Artemidorus en Euphrates. Hij trouwde drie keer (hoewel hij geen kinderen had), de eerste keer op achttienjarige leeftijd met een stiefdochter van Veccius Proculus, de tweede keer met de dochter van Pompeia Celerina, en de derde keer met Calpurnia, dochter van Calpurnius en kleindochter van Calpurnius Fabatus van Comum.

Plinius stierf vermoedelijk plotseling rond 112 n.Chr., na zijn terugkeer naar Rome van een langdurige politieke aanstelling in de onrustige provincie Bithynië-Pontus aan de Zwarte Zeekust van Anatolië (het huidige Turkije). Hij liet een groot geldbedrag na aan zijn geboortestad Comum.

Geschriften

Plinius begon op veertienjarige leeftijd te schrijven met een tragedie in het Grieks, en schreef gedurende zijn leven een aanzienlijke hoeveelheid poëzie, waarvan het meeste verloren is gegaan. Hij stond ook bekend als een opmerkelijk redenaar, hoewel slechts een van zijn redevoeringen bewaard is gebleven, de “Panegyricus Traiani”, een uitbundige lofrede op keizer Trajanus.

Het grootste deel van Plinius’ werk dat bewaard is gebleven, en de voornaamste bron van zijn reputatie als schrijver, is echter zijn “Epistulae”, een reeks persoonlijke brieven aan vrienden en bekenden. De brieven in Boeken I tot IX waren kennelijk specifiek voor publicatie geschreven (wat sommigen als een nieuw literair genre beschouwen), waarbij de Boeken I tot III waarschijnlijk geschreven zijn tussen 97 en 102 n.Chr., Boeken IV tot VII tussen 103 en 107 n.Chr., en Boeken VIII en IX de periode 108 en 109 n.Chr. beslaan. De brieven van Boek X (109 tot 111 n.Chr.), soms aangeduid als de “Correspondentie met Trajanus”, zijn gericht aan of afkomstig van keizer Trajanus persoonlijk, en zijn stilistisch veel eenvoudiger dan hun voorgangers, aangezien ze niet voor publicatie bedoeld waren.

Romeins komediemsozaïek uit de Villa van Plinius de Jongere

Komedie, Villa van Plinius de Jongere

De “Epistulae” vormen een unieke getuigenis van de Romeinse bestuursgeschiedenis en het dagelijks leven in de 1e eeuw n.Chr., met een schat aan details over Plinius’ leven op zijn buitenhuizen, evenals zijn opklimming door de opeenvolgende openbare ambten. Bijzonder opmerkelijk zijn twee brieven waarin hij de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n.Chr. beschrijft en de dood van zijn oom en mentor, Plinius de Oudere (“Epistulae VI.16” en “Epistulae VI.20”), en een brief waarin hij keizer Trajanus om instructies vraagt betreffende het officiële beleid ten aanzien van christenen (“Epistulae X.96”), beschouwd als het vroegste externe verslag van christelijke eredienst.

Belangrijkste werken

Aangemaakt:24 oktober 2024

Gewijzigd:22 december 2024