1. Home
  2. Klassieke Literatuur
  3. Rome
  4. Catullus
  5. Catullus Vertalingen
  6. Catullus 8 Vertaling

Catullus 8 Vertaling

Classical

Inleiding

In dit gedicht schreef Catullus over zichzelf. Hij begon te spreken over zijn dwaasheid en hoe alles verloren is. In regel drie schreef hij hoe de zon ooit helder voor hem scheen, vooral wanneer hij bij Lesbia was. In regel vijf herhaalt hij een zin die hij vaak gebruikt wanneer hij over haar spreekt: hij hield van haar zoals niemand anders ooit zou doen.

Maar in regel zes deelt hij hoe er zoveel vreugden waren die hij met Lesbia had. In regel zeven onthult hij echter dat zij niet wenste wat hij verlangde. Ze verlichtte zijn dagen, maar het gevoel was niet wederzijds. Want in regel negen deelt Catullus mee dat zij niet meer naar hem verlangt, en zij verlangt niet meer. Een dwaas zou ook niet meer naar haar moeten verlangen. Niemand zou haar moeten volgen. De dwaas zou niet in ellende moeten leven maar sterk en standvastig moeten zijn.

Catullus zegt tegen zichzelf dat hij sterk kan zijn en niet langer achter Lesbia aan zal gaan, vooral omdat zij niet bij hem wil zijn. Vervolgens vraagt hij zich af welk leven er voor hem overblijft nu zij hem niet meer wil. Hij vraagt zich af van wie hij zal houden en wie van hem zal houden. Hij wil weten wie hij zal kussen. Hij herinnert zichzelf eraan sterk en standvastig te zijn, nu hij niemand meer heeft om te kussen of lippen om op te bijten.

Hij is duidelijk van streek over de status van zijn relatie met Lesbia, want de relatie bestaat niet meer. Hij hield van haar zoals niemand anders ooit van haar zou houden, en zij maakte er een einde aan door niet meer bij hem te willen zijn. In regels 12 tot 13 wenste hij haar vaarwel en zei dat hij haar niet meer zal zoeken. Maar in regel 14 vraagt hij zich af wat zij zal doen wanneer niemand meer naar haar vraagt.

Carmen 8

RegelLatijnse tekstNederlandse vertaling
1MISER Catulle, desinas ineptire,Arme Catullus, het wordt tijd dat je ophoudt met je dwaasheid,
2et quod uides perisse perditum ducas.en als verloren beschouwt wat je verloren ziet gaan.
3fulsere quondam candidi tibi soles,Eens scheen de zon helder voor jou,
4cum uentitabas quo puella ducebattoen je zo vaak ging waarheen mijn meesteres je leidde,
5amata nobis quantum amabitur nulla.zij die door mij werd bemind als geen ander ooit bemind zal worden.
6ibi illa multa cum iocosa fiebant,Toen en daar werden ons die vreugden geschonken, zo talrijk, zo vrolijk,
7quae tu uolebas nec puella nolebat,die jij verlangde en mijn meesteres niet afwees.
8fulsere uere candidi tibi soles.Helder, waarlijk, schenen de dagen voor jou.
9nunc iam illa non uult: tu quoque impotens,noliNu verlangt zij niet meer; verlang ook jij niet meer, arme dwaas,
10nec quae fugit sectare, nec miser uiue,volg haar niet die vlucht, en leef niet in ellende,
11sed obstinata mente perfer, obdura.maar verdraag het met vastberaden geest, wees standvastig.
12uale puella, iam Catullus obdurat,Vaarwel, mijn meesteres; nu is Catullus standvastig;
13nec te requiret nec rogabit inuitam.hij zal je niet zoeken noch vragen tegen je wil.
14at tu dolebis, cum rogaberis nulla.Maar jij zult treuren wanneer niemand meer naar je vraagt.
15scelesta, uae te, quae tibi manet uita?Ach, arme stakker! Welk leven rest er jou?
16quis nunc te adibit? cui uideberis bella?Wie zal je nu bezoeken? Wie zal je mooi vinden?
17quem nunc amabis? cuius esse diceris?Van wie zul je nu houden? Van wie zal men zeggen dat je bent?
18quem basiabis? cui labella mordebis?Wie zul je kussen? Wiens lippen zul je bijten?
19at tu, Catulle, destinatus obdura.Maar jij, Catullus, wees vastberaden en standvastig.

Bronnen

VRoma Project

Aangemaakt:1 januari 2025

Gewijzigd:27 oktober 2024