1. Home
  2. Klassieke Literatuur
  3. Rome
  4. Catullus
  5. Catullus Vertalingen
  6. Catullus 76 Vertaling

Catullus 76 Vertaling

Classical

Inleiding

Catullus 76 is een autobiografisch gedicht waarin Catullus worstelt met zijn persoonlijke kwelling van de liefde voor Lesbia, terwijl zij niet van hem houdt. Dit gedicht is vergelijkbaar in toon en stijl met Sappho 31. In dat gedicht schreef Sappho over hoe ze iemand ziet die zo mooi is dat ze niet kan spreken. Ze begint te zweten, ze voelt een blos van hitte onder haar huid, en ze voelt alsof ze zal sterven.

In regels 17-20 vraagt Catullus de goden om genade, om naar zijn leven te kijken en “deze plaag en ondergang van mij weg te nemen.” In de volgende twee regels vertelt hij hoe lusteloos hij zich voelt in zijn gewrichten en hoe alle vreugde uit zijn hart is verdwenen.

In de laatste vier regels van het gedicht onthult Catullus wat hij wil. Hij zegt dat hij niet langer wil dat Lesbia (zij) van hem houdt. Hij hoopt dat ze instemt kuis te zijn; dit zou kunnen betekenen dat hij alleen wil dat ze seks heeft met hem. In de laatste twee regels zegt hij dat hij beter wil worden in ruil voor zijn vroomheid.

Hij noemt zijn liefde ondankbaar in regel zes en hij noemt Lesbia een “ondankbaar hart” in regel negen. Hij vraagt zichzelf af hoe hij door haar gekweld kan blijven worden. Catullus schreef bijna een kwart van zijn gedichten aan of over Lesbia. In veel ervan worstelt hij met hun relatie en hoe die zich ontwikkelt. In dit gedicht lijkt het alsof hij zichzelf iets als een “geen spijt”-toespraak probeert te geven. Ja, hij heeft alles aan haar gegeven. Nee, zij beantwoordde de liefde niet. Maar hij wil weer een godvruchtig man worden en leven met een lichaam dat geen ziekte meer voelt.

In regels 13 en 14 begrijpt Catullus hoe moeilijk het is om een “lang gekoesterde liefde” opzij te zetten. Vervolgens zegt hij tegen zichzelf dat hij het “op de een of andere manier moet volbrengen.” Hoewel Catullus verdrietig is over de uitkomst van zijn relatie met Lesbia, lijkt hij te begrijpen dat hij (met enige hulp van de goden) de enige is die over haar heen kan komen.

Carmen 76

RegelLatijnse tekstNederlandse vertaling
1SIQVA recordanti benefacta priora uoluptasALS een mens vreugde kan scheppen uit de herinnering aan bewezen weldaden,
2est homini, cum se cogitat esse pium,wanneer hij denkt dat hij een ware vriend is geweest;
3nec sanctam uiolasse fidem, nec foedere nulloen dat hij het heilig vertrouwen niet heeft geschonden, noch in enig verbond
4diuum ad fallendos numine abusum homines,de majesteit der goden heeft misbruikt om mensen te bedriegen,
5multa parata manent in longa aetate, Catulle,dan wachten er vele vreugden in een lang leven op jou, Catullus,
6ex hoc ingrato gaudia amore tibi.voortgekomen uit deze ondankbare liefde.
7nam quaecumque homines bene cuiquam aut dicere possuntWant alle goedheid die een mens een ander kan bewijzen in woord
8aut facere, haec a te dictaque factaque sunt.of daad is door jou gezegd en gedaan.
9omnia quae ingratae perierunt credita menti.Dit alles werd toevertrouwd aan een ondankbaar hart, en is verloren:
10quare iam te cur amplius excrucies?waarom zou je jezelf dan nu nog langer kwellen?
11quin tu animo offirmas atque istinc teque reducis,Waarom maak je je geest niet vast en trek je je terug,
12et dis inuitis desinis esse miser?en houd je op ellendig te zijn, ondanks de goden?
13difficile est longum subito deponere amorem,Het is moeilijk om plotseling een lang gekoesterde liefde af te leggen.
14difficile est, uerum hoc qua lubet efficias:Het is moeilijk; maar je moet het volbrengen, op welke manier dan ook.
15una salus haec est. hoc est tibi peruincendum,Dit is de enige redding, dit moet je doorstaan,
16hoc facias, siue id non pote siue pote.dit moet je doen, of het mogelijk is of niet.
17o di, si uestrum est misereri, aut si quibus umquamO goden, als genade uw eigenschap is, of als gij ooit
18extremam iam ipsa in morte tulistis opem,hulp hebt geboden aan iemand op het allerlaatste moment des doods,
19me miserum aspicite et, si uitam puriter egi,aanschouw mij in mijn nood, en als ik een rein leven heb geleid,
20eripite hanc pestem perniciemque mihi,neem deze plaag en ondergang van mij weg.
21quae mihi subrepens imos ut torpor in artusAch! welk een verdoving kruipt in mijn diepste gewrichten,
22expulit ex omni pectore laetitias.en heeft alle vreugde uit mijn hart verdreven!
23non iam illud quaero, contra me ut diligat illa,Niet langer is dit mijn gebed, dat zij mij liefheeft in ruil,
24aut, quod non potis est, esse pudica uelit:of, want dat is onmogelijk, dat zij instemt kuis te zijn.
25ipse ualere opto et taetrum hunc deponere morbum.Ik wil zelf weer gezond worden en deze boosaardige ziekte afleggen.
26o di, reddite mi hoc pro pietate mea.O goden, schenk mij dit in ruil voor mijn vroomheid.

Bronnen

VRoma Project

Aangemaakt:1 januari 2025

Gewijzigd:27 oktober 2024