Catullus 59 Vertaling
Inleiding
In Catullus 59 schreef de dichter over het seksuele gedrag van Rufa van Bononia, de echtgenote van Menenius. Dit zijn geen beroemde historische figuren, maar ze moeten wel bekend zijn geweest bij de mensen uit Catullus’ omgeving. In regel een laat Catullus niets aan de verbeelding over als hij zegt dat Rufa fellatio pleegt bij Rufulus. Aangezien familieleden vergelijkbare namen hadden, moeten Rufulus en Rufa broer en zus zijn.
Vervolgens deelt Catullus in regel twee mee dat Rufa vaak op begraafplaatsen wordt gezien. Ze is daar om vlees van brandstapels te grissen. Dit is problematisch omdat de oude Romeinen grote waarde hechtten aan de brandstapels die ze voor de doden ontstaken. Deze vrouw steelt daar spullen vandaan. Terwijl de eerste regel van het gedicht doordrenkt is van seksualiteit, zijn de vierde en vijfde regel geladen met beeldspraak.
In de regels vier en vijf laat Catullus zien hoe de vrouw achter het brood aanrende dat ze had gegrepen en liet vallen. Ze wordt vervolgens “geslagen” door de slaaf van de begrafenisondernemer. Catullus neemt de moeite om te vermelden dat de slaaf halfgeschoren is.
Dit is een vreemd gedichtje dat op een limerick lijkt. Rufa lijkt een zeer gebrekkige vrouw te zijn die waarschijnlijk bespot werd door de gemeenschap. Catullus schrijft regelmatig over mensen in de gemeenschap die seksuele relaties hebben met familieleden. Aangezien de mensen uit de oudheid de fijne kneepjes van DNA niet begrepen, zijn er mogelijk meerdere mensen geboren uit relaties tussen familieleden. Hij vertelt de seksuele en incestueuze verhalen als kleine volksliedjes en dit gedicht voelt bijna aan als een kinderliedje over heuvel op, heuvel af en dan vallen. Het is vreemd, maar licht vertederend.
Het laat de lezer wel achter met de vraag of Menenius er last van had dat zijn vrouw fellatio pleegde bij haar broer, of mogelijk zelfs haar vader.
Carmen 59
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | BONONIENSIS Rufa Rufulum fellat, | Rufa van Bononia, de echtgenote van Menenius, pleegt fellatio bij Rufulus, |
| 2 | uxor Meneni, saepe quam in sepulcretis | zij die je vaak op de begraafplaatsen hebt gezien |
| 3 | uidistis ipso rapere de rogo cenam, | het gebakken vlees van de brandstapel grissend, |
| 4 | cum deuolutum ex igne prosequens panem | terwijl ze het brood achternarende dat uit het vuur rolde |
| 5 | ab semiraso tunderetur ustore. | en geslagen werd door de halfgeschoren slaaf van de begrafenisondernemer. |
