Catullus 54 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht richt Catullus zich tot verscheidene leiders die mogelijkerwijs beledigd zouden kunnen zijn door zijn poezie. De toespelingen die hij in het gedicht maakt betreffen onder anderen Otho, Erius, Libo en Fuficius. Aan het einde van het gedicht noemt Catullus een generaal, maar niet bij naam. Hoogstwaarschijnlijk was die generaal Julius Caesar, van wie bekend was dat Catullus een hekel aan hem had.
In de eerste regel van het gedicht zegt Catullus dat Otho een klein hoofd heeft. Otho was een Romeins keizer voor slechts drie maanden gedurende het jaar 69, toen vier keizers over Rome regeerden. Hij stond bekend als buitengewoon ijdel, wat het ironisch maakt dat Catullus vermeldt hoe klein zijn hoofd was, aangezien verwaande mensen vaak een groot hoofd wordt toegeschreven.
In regel twee noemt hij Otho’s halfgewassen benen en de “boerse Erius”. Een man boors noemen zou het equivalent zijn van hem een boer noemen. In regel drie verwijst hij naar Libo, die weet hoe hij op een “subtiele en zachte” manier moet winden laten. Dit zijn allemaal zware beledigingen aan het adres van deze drie mannen. Libo was een lid van Caesars familie. In regel vier zegt Catullus dat hij door het noemen van deze punten uiteindelijk niet geliefd zal zijn bij Caesar en Fuficius, die door Caesar tot senator was benoemd. Al deze mannen hadden een band met Caesar, wat een belangrijke reden was waarom Catullus een hekel aan hen had. Fuficius en Otho pleegden uiteindelijk beiden zelfmoord.
Catullus lijkt te genieten van het schrijven van dit gedicht. Er zit een gevoel voor humor in dat opduikt in de laatste twee regels wanneer hij zegt dat “Gij” boos zult worden over de jamben (de verzen) die hij schrijft. Vervolgens noemt hij de verzen onschuldig, alvorens hij “de enige ware generaal” aanspreekt — die hoogstwaarschijnlijk Caesar is. Elk gedicht dat verwijst naar winden laten en halfgewassen benen draait volledig om spot, en Catullus lijkt te genieten van het bespotten van deze mannen.
Carmen 54
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | OTHONIS caput oppido est pusillum, | Otho’s hoofd (bijzonder klein is het), |
| 2 | et eri rustice semilauta crura, | en uw halfgewassen benen, boerse Erius, |
| 3 | subtile et leue peditum Libonis, | het subtiele en zachte winden laten van Libo, |
| 4 | si non omnia, displicere uellem | deze punten tenminste, zo niet alles over hen, zou ik graag mishagen |
| 5 | tibi et Sufficio seni recocto… | bij u en Fuficius, die ouwe kerel die weer jong is gemaakt. |
| 6 | irascere iterum meis iambis | Gij zult opnieuw vertoornd zijn over mijn jamben, |
| 7 | inmerentibus, unice imperator. | mijn onschuldige jamben, gij enige ware generaal. |
