Catullus 49 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht schrijft Catullus over zijn advocaat, Marcus Tullius. Deze man is een afstammeling van Romulus, de eerste koning van Rome. Romulus is de tweelingbroer van Remus, en beiden zijn afstammelingen van Aeneas, die de Trojaanse Oorlog overleefde en hielp bij het stichten van Latium.
Volgens Catullus zijn de afstammelingen van Romulus uitmuntende redenaars. Tullius stond ook bekend als Cicero, en hij gaf een rede voor Caelius toen die werd beschuldigd van poging tot moord op Lesbia. Toen Cicero de rede hield, verdedigde hij Caelius door Lesbia te beledigen. Het idee was dat als hij haar in diskrediet bracht, de rechter en jury zouden begrijpen waarom Caelius haar had willen vergiftigen. Enkele jaren voordat Cicero de rede gaf die Lesbia kastijdde, had haar broer hem verbannen en zijn huis verwoest.
In dit gedicht prees Catullus Tullius door zijn vermogen om een rede te houden te complimenteren. Hij nam drie regels om alle afstammelingen van Romulus te prijzen. Vervolgens, in regel vier, bedankte Catullus hem. Maar in regel vijf en zes beledigde hij Tullius’ vermogen als dichter. Hij noemde hem de slechtste van alle dichters. In regel zes en zeven maakte hij een vreemde logische associatie door hem de slechtste dichter te noemen, zoals hij de beste advocaat is.
Het is moeilijk te zeggen of Catullus Tullius werkelijk prijst, of dat hij hem sarcastisch bespot. In al zijn gedichten laat Catullus zien hoeveel hij van Lesbia houdt, en Tullius vernederde haar zo erg in zijn rede dat de man die haar probeerde te vermoorden werd vrijgesproken van alle schuld. Vanwege de relatie van Catullus met Lesbia is het misschien moeilijk voor te stellen dat hij Tullius een groot redenaar vindt. Maar hij slaagde erin zijn client vrij te krijgen, dus Catullus zou hem kunnen prijzen om zijn bekwaamheid - hoe weinig de uitkomst hem ook beviel.
Carmen 49
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | DISERTISSIME Romuli nepotum, | Meest welsprekende van de afstammelingen van Romulus, |
| 2 | quot sunt quotque fuere, Marce Tulli, | allen die er zijn, en allen die er waren, en allen die er zullen zijn |
| 3 | quotque post aliis erunt in annis, | in de komende jaren, Marcus Tullius, |
| 4 | gratias tibi maximas Catullus | aan u brengt Catullus zijn warmste dank, |
| 5 | agit pessimus omnium poeta, | de slechtste van alle dichters; |
| 6 | tanto pessimus omnium poeta, | zozeer de slechtste dichter van allen, |
| 7 | quanto tu optimus omnium patronus. | als gij de beste advocaat van allen zijt. |
