Catullus 37 Vertaling
Inleiding
Dit gedicht gaat over mannen die bordelen bezoeken. In de eerste regel schrijft Catullus over mensen die ze bezoeken, en sommigen van hen zijn mannen in dienst van de goden. Zij werken in de tempels. Zij denken dat zij de enigen zijn die een penis hebben. Zij denken dat mannen die niet in de tempels werken geen penis hebben en niets meer zijn dan bokken.
Vervolgens begint Catullus deze mannen van homoseksualiteit te beschuldigen. Hij beschuldigt hen ervan in lange rijen te zitten, niet na te denken, maar jonge mannen seksueel te misbruiken. In regels 9 en 10 zegt Catullus dat zij het maar moeten denken, en dat hij fallussen op de deuren van de bordelen zal tekenen.
Vreemd genoeg roept Catullus vervolgens Lesbia aan. Hij noemt haar zijn meisje dat zijn armen heeft verlaten. Hij vertelt hoe hij meer van haar hield dan wie ook, ondanks het aantal ruzies dat ze hadden. Vervolgens zegt hij dat zij daar haar intrek heeft genomen; wat betekent dat zij nu in een bordeel woont. Of zij zich zo gedraagt alsof ze in een bordeel woont.
Hij zegt dit over haar omdat zij geliefd is bij mannen die welvarend zijn en een rang in de maatschappij hebben. Haar schande is dat zoveel mensen haar hebben bezocht, of met haar hebben geslapen. Vervolgens richt hij zich tot een man in het bijzonder: Egnatius. Catullus noemt hem een langharige dandy die zijn tanden poetst met urine. Hij verwijst naar Egnatius als een kind van Celtiberië — een gebied waar Kelten hun thuis maakten op het Iberisch schiereiland. Catullus lijkt niet blij te zijn met zijn relatie met Lesbia in dit gedicht. Hij waardeert het ook niet hoe mannen van macht misbruik maken van mensen die minder fortuinlijk zijn — zoals meisjes die in bordelen wonen. Hij is niet bang om hen te ontmaskeren voor wat ze zijn en hij is niet bang om zijn graffiti op de muren van de bordelen te zetten zodat iedereen het kan zien.
Carmen 37
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | SALAX taberna uosque contubernales, | Wellustig kroeghuis, en jullie kameraden in de dienst, |
| 2 | a pilleatis nona fratribus pila, | negen pilaren van de tempel der gehoede broeders, |
| 3 | solis putatis esse mentulas uobis, | denken jullie dat alleen jullie een penis hebben? |
| 4 | solis licere, quidquid est puellarum, | dat alleen jullie het recht hebben met alle meisjes seks te hebben, |
| 5 | confutuere et putare ceteros hircos? | terwijl jullie alle anderen als bokken beschouwen? |
| 6 | an, continenter quod sedetis insulsi | Of als jullie in een rij zitten, vijftig of honderd misschien, |
| 7 | centum an ducenti, non putatis ausurum | geestlozen allemaal, denken jullie dat ik niet in staat ben |
| 8 | me una ducentos irrumare sessores? | tweehonderd zittenden tegelijk te misbruiken? |
| 9 | atqui putate: namque totius uobis | Maar denk dat gerust: want ik zal fallussen tekenen |
| 10 | frontem tabernae sopionibus scribam. | over de hele voorgevel van het kroeghuis. |
| 11 | puella nam mi, quae meo sinu fugit, | Mijn meisje, dat uit mijn armen is gevlucht, |
| 12 | amata tantum quantum amabitur nulla, | hoewel bemind als geen ander ooit zal worden bemind, |
| 13 | pro qua mihi sunt magna bella pugnata, | voor wie ik zoveel grote gevechten heb gestreden, |
| 14 | consedit istic. hanc boni beatique | heeft daar haar intrek genomen. Zij is geliefd bij jullie allen, |
| 15 | omnes amatis, et quidem, quod indignum est, | mannen van rang en fortuin, en tot haar schande zelfs |
| 16 | omnes pusilli et semitarii moechi; | bij alle kleine scharrelaars die de zijstraatjes bewandelen; |
| 17 | tu praeter omnes une de capillatis, | aan jou bovenal, toonbeeld van langharige dandy’s, |
| 18 | cuniculosae Celtiberiae fili, | zoon van het konijnenrijke Celtiberië, |
| 19 | Egnati. opaca quem bonum facit barba | Egnatius, tot heer gemaakt door een borstelige baard |
| 20 | et dens Hibera defricatus urina. | en tanden gepoetst met Spaanse urine. |
