Catullus 31 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht schreef Catullus over een plek die hij graag bezocht: Sirmio. Dit is een landtong aan het Gardameer waar Catullus een huis lijkt te hebben gehad. Er zijn ruines die volgens velen aan Catullus toebehoorden. In dit gedicht lijkt het erop dat Catullus van dit gebied genoot als vakantiebestemming.
In het eerste kwatrijn schreef Catullus over hoe het land het stralende oog was van de eilanden waar Neptunus (de god van de zee) aanspoelt. In regels vier tot en met zes schreef hij over hoe blij hij was om er op bezoek te komen, vooral na afwezigheid in Thynië en Bithynië, zodat hij nu veilig op bezoek kan komen.
In regel zeven legt Catullus uit hoe fortuinlijk hij is dat hij een plek heeft waar hij zijn zorgen kan afleggen. Hij vervolgt met schrijven over hoe Sirmio een plek is waar hij zijn last kan verliezen en kan rusten na de inspanningen van het reizen voor werk. Hij noemt Sirmio een plek waar hij thuis kan komen en in zijn eigen bed kan rusten. Reizigers zeggen tegenwoordig nog steeds hetzelfde: hoe heerlijk het is om thuis te komen en in een comfortabel bed te slapen.
In regel 11 zegt Catullus dat hij werkt om van zijn huis in Sirmio te genieten. Deze regel is ook herkenbaar, aangezien veel werkende mensen nog steeds werken zodat ze op vakantie kunnen gaan. In de laatste drie regels begroet Catullus Sirmio en verblijdt hij zich erover de eigenaar te zijn van het huis. Hij waardeert de Lydische golven (zachte golven) die lachen terwijl ze aanspoelen. Catullus deelt ook mee dat wanneer de golven zachtjes lachen, dit ook in huis gebeurt.
Catullus schreef de meeste van zijn gedichten over mensen van wie hij hield of die hij haatte. Het is verfrissend om hem een ode te zien schrijven aan een plek die hij liefhad. Het toont aan hoe vergelijkbaar de oude mensen zijn met de mensen van vandaag. Wie zou er niet graag een mooi, ontspannend huis aan de oevers van een meer met zachte golven willen hebben?
Carmen 31
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | PAENE insularum, Sirmio, insularumque | Sirmio, stralend oog van schiereilanden en eilanden, |
| 2 | ocelle, quascumque in liquentibus stagnis | welke ook maar Neptunus draagt |
| 3 | marique uasto fert uterque Neptunus, | in heldere meren of op de wijde zee. |
| 4 | quam te libenter quamque laetus inuiso, | Hoe graag en hoe verheugd bezoek ik jou, |
| 5 | uix mi ipse credens Thuniam atque Bithunos | nauwelijks gelovend dat ik Thynië en de Bithynische |
| 6 | liquisse campos et uidere te in tuto. | vlakten heb verlaten, en dat ik jou in veiligheid aanschouw. |
| 7 | o quid solutis est beatius curis, | O, wat is er zaliger dan zorgen af te leggen, |
| 8 | cum mens onus reponit, ac peregrino | wanneer de geest zijn last neerlegt, en vermoeid |
| 9 | labore fessi uenimus larem ad nostrum, | van de arbeid van het reizen, wij thuiskomen |
| 10 | desideratoque acquiescimus lecto? | en rusten op het bed waarnaar wij verlangden. |
| 11 | hoc est quod unum est pro laboribus tantis. | Dit alleen is het waard zulke grote inspanningen te verduren. |
| 12 | salue, o uenusta Sirmio, atque ero gaude | Gegroet, o bekoorlijk Sirmio, verheug je in je gelukkige meester, |
| 13 | gaudente, uosque, o Lydiae lacus undae, | en jullie, o Lydische golven van het meer, |
| 14 | ridete quidquid est domi cachinnorum. | lach al het lachen dat er in jullie huis is. |
