Catullus 28 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht bespreekt Catullus de familie Piso en de mensen die deze familie dienen. Hij gebruikt een interessant woordspel door de soldaten van Piso “een behoeftig gevolg” te noemen. Vervolgens vertelt hij hoe zij hun bagage bij de hand hebben en gemakkelijk te dragen is. In regel drie vraagt Catullus zijn vrienden Veranius en Fabullus hoe het met hen gaat terwijl zij voor de Piso’s werken.
Catullus lijkt de Piso’s niet te mogen, aangezien hij zijn vrienden vraagt of ze het koud hebben, honger lijden en genoeg hebben van het luisteren naar Piso — die hij een “windzak” noemt. Catullus vraagt zijn vrienden ook of ze enig geld verdienen, al is het maar een klein bedrag. Hij vertelt hoe zijn winsten aan de verkeerde kant staan, wat betekent dat het in werkelijkheid opnames waren. Catullus spreekt in regel acht over zijn praetor, Memmius. Catullus zegt dat Memmius hem heeft misbruikt, ofwel hem heeft gedwongen tot seks en fellatio.
Vervolgens realiseert Catullus zich in regel 11 dat Memmius hetzelfde doormaakte als wat hij Catullus had aangedaan. Hij zegt dat Memmius werd volgestopt met “een even grote penis” en maakt een sarcastische opmerking over hoe Memmius geen goede vrienden heeft.
Aan het einde van het gedicht stapelt Catullus een vloek op Memmius. Hij vraagt de goden om vele vervloekingen over hem uit te spreken, omdat hij de namen van Romulus en Remus te schande maakt. Wanneer Catullus naar Romulus en Remus verwijst, verwijst hij naar alle inwoners van Rome, aangezien het tweetal de stichters van de grote stad waren. Catullus waardeert het niet wanneer mensen misbruik maken van jongere mannen en vrouwen. Het is duidelijk dat Memmius een roofdier is, dat ooit zelf het slachtoffer was. Helaas werd Memmius geen beter mens door zijn ervaring.
Carmen 28
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | PISONIS comites, cohors inanis, | Jullie ondergeschikten van Piso, een behoeftig gevolg, |
| 2 | aptis sarcinulis et expeditis, | met bagage bij de hand en licht om te dragen, |
| 3 | Verani optime tuque mi Fabulle, | mijn voortreffelijke Veranius en mijn Fabullus, |
| 4 | quid rerum geritis? satisne cum isto | hoe gaat het met jullie? Hebben jullie kou en honger geleden |
| 5 | uappa frigoraque et famem tulistis? | bij die windzak, lang genoeg? |
| 6 | ecquidnam in tabulis patet lucelli | Tonen jullie kasboeken enige winst, hoe klein ook, |
| 7 | expensum, ut mihi, qui meum secutus | aan de verkeerde kant geboekt, zoals bij mij? Want nadat ik |
| 8 | praetorem refero datum lucello? | mijn praetor gevolgd heb, boek ik aan de creditzijde |
| 9 | O Memmi, bene me ac diu supinum | ”O Memmius, je hebt me langdurig en grondig misbruikt, |
| 10 | tota ista trabe lentus irrumasti. | op mijn rug liggend, met die hele staak van je.” |
| 11 | sed, quantum uideo, pari fuistis | Maar, voor zover ik kan zien, verkeerden jullie in een soortgelijke |
| 12 | casu: nam nihilo minore uerpa | situatie: jullie werden volgestopt met een even grote penis. |
| 13 | farti estis. pete nobiles amicos! | Zoveel voor het najagen van machtige vrienden! |
| 14 | at uobis mala multa di deaeque | Maar mogen de goden en godinnen vele vervloekingen over jullie brengen, |
| 15 | dent, opprobria Romuli Remique. | jullie schandvlekken op de namen van Romulus en Remus. |
