Catullus 22 Vertaling
Inleiding
In dit gedicht spreekt Catullus Varus aan over zijn gedachten over een mededichter die hij Suffenus noemt. In regel twee complimenteert hij Suffenus door te zeggen dat hij charmant, geestig en welgemanierd is. In regels drie tot en met vijf deelt hij mee dat Suffenus meer poëzie schrijft dan wie dan ook en minstens 10.000 werken heeft die af zijn of waaraan hij werkt. Deze werken zijn geschreven op verschillende soorten papier, van duur keizerlijk papier tot willekeurige krabbels. Alle werken zijn “gelijnd met lood en gladgemaakt met puimsteen.”
In regels 9 tot en met 11 herinnert Catullus Varus eraan dat Suffenus ooit een man was die niets meer was dan een geitenhoeder of slootgraver, maar nu er modieus en welopgevoed uitziet. In regel 12 vraagt Catullus hoe dit heeft kunnen gebeuren. In regels 13 en 14 schrijft Catullus over hoe Suffenus een prima tafelgenoot was die ervaren is, maar ooit “lomper was dan het lompe platteland.”
Suffenus is zelfs lomp wanneer hij poëzie aanraakt, volgens regels 14 en 15 samen. In de tweede helft van regel 15 tot en met 17 leren we dat Suffenus nooit zo gelukkig is als wanneer hij poëzie schrijft; hij bewondert zichzelf wanneer hij dicht.
Vervolgens, in de laatste vier regels van het gedicht, laat Catullus ons zien dat “wij allen dezelfde waan koesteren” aangezien mensen wellicht als Suffenus zijn. Hij toont het een, maar is het ander. Catullus sluit het gedicht af door ons eraan te herinneren dat “wij het deel van de zak dat op onze rug hangt niet zien.” De grote vraag voor lezers is wat er in de zak zit. Hoogstwaarschijnlijk is dit een antieke verwijzing naar wat wij tegenwoordig als bagage beschouwen. Het is het gewicht van ons verleden, onze fouten, onze worstelingen en alles wat ons maakt tot wie we vandaag zijn.
Suffenus is wellicht een pseudoniem voor iedereen die zijn leven heeft weten te veranderen door hard werken. Het lijkt erop dat Catullus respect voor hem heeft gekregen, terwijl hij dat in gedicht 14 niet had.
Carmen 22
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | SVFFENVS iste, Vare, quem probe nosti, | Die Suffenus, Varus, die je heel goed kent, |
| 2 | homo est uenustus et dicax et urbanus, | is een charmante kerel, en heeft gevat en goede manieren. |
| 3 | idemque longe plurimos facit uersus. | Hij schrijft ook veel meer verzen dan wie dan ook. |
| 4 | puto esse ego illi milia aut decem aut plura | Ik denk dat hij zo’n tienduizend of zelfs meer |
| 5 | perscripta, nec sic ut fit in palimpsesto | volledig heeft uitgeschreven, en niet, zoals vaak gebeurt, |
| 6 | relata: cartae regiae, noui libri, | op oude krabbels; keizerlijk papier, nieuwe boekrollen, |
| 7 | noui umbilici, lora rubra membranae, | nieuwe knoppen, rode banden, perkamenten omslagen; |
| 8 | derecta plumbo et pumice omnia aequata. | alles gelijnd met lood en gladgemaakt met puimsteen. |
| 9 | haec cum legas tu, bellus ille et urbanus | Wanneer je deze gaat lezen, lijkt de modieuze, welopgevoede |
| 10 | Suffenus unus caprimulgus aut fossor | Suffenus van wie ik sprak niets meer dan een geitenhoeder of slootgraver |
| 11 | rursus uidetur: tantum abhorret ac mutat. | wanneer je hem opnieuw bekijkt; zo absurd en veranderd is hij. |
| 12 | hoc quid putemus esse? qui modo scurra | Hoe moeten wij dit verklaren? Dezelfde man die zojuist |
| 13 | aut si quid hac re scitius uidebatur, | een tafelgrappenmaker was of iets (als dat er al is) nog handiger, |
| 14 | idem infaceto est infacetior rure, | is lomper dan het lompe platteland, |
| 15 | simul poemata attigit, neque idem umquam | zodra hij poëzie aanraakt; en tegelijkertijd is hij nooit |
| 16 | aeque est beatus ac poema cum scribit: | zo gelukkig als wanneer hij een gedicht schrijft: |
| 17 | tam gaudet in se tamque se ipse miratur. | hij geniet zo van zichzelf en bewondert zichzelf zo. |
| 18 | nimirum idem omnes fallimur, neque est quisquam | Inderdaad, wij koesteren allen dezelfde waan, en er is niemand |
| 19 | quem non in aliqua re uidere Suffenum | in wie je niet ergens een Suffenus kunt zien |
| 20 | possis. suus cuique attributus est error; | op het een of ander gebied. Ieder heeft zijn eigen waan toebedeeld gekregen: |
| 21 | sed non uidemus manticae quod in tergo est. | maar wij zien het deel van de zak dat op onze rug hangt niet. |
