Catullus 106 Vertaling
Inleiding
Catullus leefde in de tijd van slavernij, en dit gedicht laat dat zien. Hoewel hij in het gedicht niet over slaven schrijft, schrijft hij wel over mensen die zichzelf aan anderen verkopen. In het gedicht verkoopt de mooie jongen in gezelschap van een veilingmeester zich hoogstwaarschijnlijk seksueel.
In 106 velt de dichter een oordeel over mooie jongens bij veilingmeesters. Hij merkt op hoe het eruit ziet dat de jongen er is om zichzelf te verkopen. Dit was de wereld waarin Catullus leefde: wanneer een aantrekkelijke jongeman bij een zakenman was, was hij duidelijk te koop. De grote vragen zijn of de veilingmeester geld verdiende aan de mooie jongen of dat de veilingmeester de mooie jongen misbruikte.
Dit gedicht heeft een donkere toon. Er is geen gevoel van zorg of bezorgdheid voor de mooie jongen. Dit gedicht is niet bedoeld om bewustzijn te creeren over seksuele uitbuiting of andere sociale kwesties. Het is simpelweg een commentaar op wat mensen aannamen over mooie jongens die met veilingmeesters rondtrokken. Er zou enig commentaar kunnen zijn over de zaken van veilingmeesters, vooral als ze met slaven handelen.
Veel van Catullus’ gedichten hebben meerdere betekenissen, maar dit lijkt vrij rechtdoorzee. Er is weinig tussen de regels door te lezen, behalve of de mooie jongen een slaaf is of niet. Er zou enige jaloezie in de toon kunnen zitten, vooral als Catullus wenste dat hij een mooie jongen was. Of hij wilde misschien een eigen mooie jongen, aangezien Catullus ten minste een homoseksuele relatie had.
Historisch gezien was Rome de eerste natie die veilingen officieel sanctioneerde. Romeinen verkochten werkelijk alles, zelfs de oorlogsbuit. De veilingmeester dreef een grote spijker in de grond om de veiling officieel te beginnen, wat ironisch is gezien het feit dat Catullus’ gedicht een seksuele verwijzing maakt over een mooie jongen die misschien “genageld” zou worden nadat hij was verkocht.
Carmen 106
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | CVM puero bello praeconem qui uidet esse, | ALS men een mooie jongen in gezelschap van een veilingmeester ziet, |
| 2 | quid credat, nisi se uendere discupere? | wat moet men dan denken, anders dan dat hij zichzelf wil verkopen? |
