Catullus 62 Vertaling
Inleiding
Catullus 62 is een bruiloftsgedicht. Hierin laat hij het lied heen en weer gaan tussen jonge mannen en jonge vrouwen. In bijna elke wisseling sluit hij de sectie af met de regel: “Hymen, O Hymenaeus, Hymen, hierheen, O Hymenaeus!” Hymen is de god van het huwelijk. Het bruiloftslied, de Hymenaeus, wordt gezongen voor het bruidspaar terwijl ze naar het huis van de bruidegom lopen. De Oude Grieken geloofden dat Hymen bij elk huwelijk aanwezig moest zijn, anders was het huwelijk gedoemd.
In de negen secties bespreekt Catullus de relaties tussen mannen en vrouwen en hoe Hesperus (de Avondster) daarbij betrokken is. In de regels een tot vier is de avond gevallen en is het tijd om de bruiloft te verlaten en het Hymen-lied te zingen. In de volgende sectie worden de meisjes aangespoord de jonge mannen te ontmoeten en hen te overtreffen in hun zang.
De jonge mannen merken in de regels 11 tot en met 19 op dat de vrouwen zijn opgestaan om te oefenen wat ze hebben geleerd. In de volgende sectie, regels 20 tot en met 25, spreken de jonge vrouwen tot Hesperus en beschuldigen de Avondster ervan dochters van hun moeders weg te nemen. Gedurende de nacht worden jonge meisjes overgegeven aan vurige jongelingen, wat wordt vergeleken met wat er gebeurt als steden vallen tijdens oorlog. Vervolgens doen de jonge mannen het tegenovergestelde en prijzen de Avondster voor het bekrachtigen van het huwelijkscontract. De jonge mannen vragen: “Wat wordt door de goden meer verlangd dan het gelukkige uur?” om te tonen hoezeer zij Hesperus eren.
Dan, in een enkele regel, merken de jonge vrouwen op hoe een van hun vriendinnen werd weggenomen. In de regels 33 tot en met 38 reageren de jonge mannen op deze beschuldiging, maar zij zeggen dat Hesperus teruggeeft wat hij neemt. De jonge mannen merken ook op dat vrouwen Hesperus berispen, maar in het geheim verlangen naar wat hij biedt.
De jonge vrouwen vergelijken in de regels 39 tot en met 48 wat hen overkomt met wat er met een bloem gebeurt. Wanneer de bloem groeit, verlangen zowel jonge mannen als vrouwen ernaar. Maar zodra ze “door een scherpe nagel is afgeknepen,” verlangt niemand er meer naar. Dit gaat over hoe maagdelijke meisjes begerenswaardig zijn, maar degenen die seks hebben gehad door niemand meer begeerd worden.
Aan het eind van het gedicht vertellen de jonge mannen de jonge vrouwen dat hun maagdelijkheid niet geheel van hen is. Ze behoort deels aan hun ouders, en wordt de bruidsschat die aan hun echtgenoten wordt gegeven.
Carmen 62
| Regel | Latijnse tekst | Nederlandse vertaling |
|---|---|---|
| 1 | VESPER adest, iuuenes, consurgite: Vesper Olympo | De avond is daar, sta op, jongelingen: Vesper heft van de Olympus |
| 2 | exspectata diu uix tandem lumina tollit. | nu eindelijk het lang verwachte licht. |
| 3 | surgere iam tempus, iam pinguis linquere mensas, | Nu is het tijd om op te staan, nu om de rijke tafels te verlaten; |
| 4 | iam ueniet uirgo, iam dicetur hymenaeus. | nu zal de bruid komen, nu zal het Hymen-lied worden gezongen. |
| 5 | Hymen o Hymenaee, Hymen ades o Hymenaee! | Hymen, O Hymenaeus, Hymen, hierheen, O Hymenaeus! |
| 6 | Cernitis, innuptae, iuuenes? consurgite contra; | Ziet gij, meisjes, de jongelingen? Sta op om hen te ontmoeten. |
| 7 | nimirum Oetaeos ostendit Noctifer ignes. | Want de nachtster toont haar Oetaeische vuren. |
| 8 | sic certest; uiden ut perniciter exsiluere? | Zo is het stellig; ziet hoe vlug zij zijn opgesprongen! |
| 9 | non temere exsiluere, canent quod uincere par est. | Niet voor niets zijn zij opgesprongen: zij zullen iets zingen dat de moeite waard is. |
| 10 | Hymen o Hymenaee, Hymen ades o Hymenaee! | Hymen, O Hymenaeus, Hymen, hierheen, O Hymenaeus! |
| 11 | non facilis nobis, aequales, palma parata est: | Geen gemakkelijke zege is ons bereid, kameraden; |
| 12 | aspicite, innuptae secum ut meditata requirunt. | kijk hoe de meisjes repeteren wat ze hebben geleerd. |
| 13 | non frustra meditantur: habent memorabile quod sit; | Niet voor niets studeren zij: zij hebben iets dat het onthouden waard is; |
| 14 | nec mirum, penitus quae tota mente laborant. | geen wonder, want zij werken er diep met heel hun geest aan. |
| 15 | nos alio mentes, alio diuisimus aures; | Wij hebben onze gedachten elders, onze oren elders gericht; |
| 16 | iure igitur uincemur: amat uictoria curam. | terecht zullen wij dus verslagen worden; overwinning houdt van inzet. |
| 17 | quare nunc animos saltem conuertite uestros; | Richt daarom nu tenminste uw geesten op de hunne. |
| 18 | dicere iam incipient, iam respondere decebit. | Weldra zullen zij beginnen te zingen, weldra zal het passen te antwoorden. |
| 19 | Hymen o Hymenaee, Hymen ades o Hymenaee! | Hymen, O Hymenaeus, Hymen, hierheen, O Hymenaeus! |
| 20 | Hespere, quis caelo fertur crudelior ignis? | Hesperus, welk wreder vuur dan het uwe schijnt aan de hemel? |
| 21 | qui natam possis complexu auellere matris, | Want gij kunt de dochter uit moeders armen rukken, |
| 22 | complexu matris retinentem auellere natam, | uit moeders armen het vastklampende meisje losscheuren, |
| 23 | et iuueni ardenti castam donare puellam. | en de kuise maagd aan de vurige jongeling schenken. |
| 24 | quid faciunt hostes capta crudelius urbe? | Wat doen vijanden wreder dan dit wanneer een stad valt? |
| 25 | Hymen o Hymenaee, Hymen ades o Hymenaee! | Hymen, O Hymenaeus, Hymen, hierheen, O Hymenaeus! |
| 26 | Hespere, quis caelo lucet iucundior ignis? | Hesperus, welk lieflijker vuur dan het uwe schijnt aan de hemel? |
| 27 | qui desponsa tua firmes conubia flamma, | Want gij bekrachtigt met uw vlam de verloofde huwelijken, |
| 28 | quae pepigere uiri, pepigerunt ante parentes, | die echtgenoten en ouders van tevoren hebben beloofd, |
| 29 | nec iunxere prius quam se tuus extulit ardor. | maar niet voltrekken totdat uw vlam is verrezen. |
| 30 | quid datur a diuis felici optatius hora? | Wat wordt door de goden meer verlangd dan het gelukkige uur? |
| 31 | Hymen o Hymenaee, Hymen ades o Hymenaee! | Hymen, O Hymenaeus, Hymen, hierheen, O Hymenaeus! |
| 32 | Hesperus e nobis, aequales, abstulit unam. | Hesperus, vriendinnen, heeft een van ons weggevoerd. |
| 33 | namque tuo aduentu uigilat custodia semper, | Want bij uw komst is de wacht altijd wakker. |
| 34 | nocte latent fures, quos idem saepe reuertens, | ‘s Nachts verschuilen dieven zich, die gij, Hesperus, vaak inhaalt bij uw terugkeer, |
| 35 | Hespere, mutato comprendis nomine Eous | Hesperus, dezelfde maar met veranderde naam Eous. |
| 36 | at lubet innuptis ficto te carpere questu. | Maar meisjes houden ervan u te berispen met geveinsde klachten. |
| 37 | quid tum, si carpunt, tacita quem mente requirunt? | Wat dan, als zij hem berispen naar wie zij in hun hart verlangen? |
| 38 | Hymen o Hymenaee, Hymen ades o Hymenaee! | Hymen, O Hymenaeus, Hymen, hierheen, O Hymenaeus! |
| 39 | Vt flos in saeptis secretus nascitur hortis, | Zoals een bloem in het verborgene groeit in een omheinde tuin, |
| 40 | ignotus pecori, nullo conuolsus aratro, | ongekend door het vee, door geen ploeg ontworteld, |
| 41 | quem mulcent aurae, firmat sol, educat imber; | die de wind streelt, de zon sterkt, de regen voedt, |
| 42 | multi illum pueri, multae optauere puellae: | vele jongens, vele meisjes verlangen ernaar; |
| 43 | idem cum tenui carptus defloruit ungui, | wanneer diezelfde bloem verwelkt, afgeknepen door een scherpe nagel, |
| 44 | nulli illum pueri, nullae optauere puellae: | geen jongens, geen meisjes verlangen er meer naar: |
| 45 | sic uirgo, dum intacta manet, dum cara suis est; | zo is een meisje, zolang zij ongerept blijft, dierbaar aan de haren; |
| 46 | cum castum amisit polluto corpore florem, | wanneer zij haar kuise bloem verliest met bezoedeld lichaam, |
| 47 | nec pueris iucunda manet, nec cara puellis. | blijft zij noch lieflijk voor jongens, noch dierbaar voor meisjes. |
| 48 | Hymen o Hymenaee, Hymen ades o Hymenaee! | Hymen, O Hymenaeus, Hymen, hierheen, O Hymenaeus! |
| 49 | Vt uidua in nudo uitis quae nascitur aruo, | Zoals een ongetrouwde wijnrank die groeit op kaal land |
| 50 | numquam se extollit, numquam mitem educat uuam, | zich nooit verheft, nooit een rijpe druif voortbrengt, |
| 51 | sed tenerum prono deflectens pondere corpus | maar met haar tere gestalte buigend onder het neerwaartse gewicht, |
| 52 | iam iam contingit summum radice flagellum; | nu al met de toppen de wortel raakt; |
| 53 | hanc nulli agricolae, nulli coluere iuuenci: | geen boeren, geen ossen verzorgen haar: |
| 54 | at si forte eadem est ulmo coniuncta marito, | maar als zij toevallig in het huwelijk verbonden wordt met een olm, |
| 55 | multi illam agricolae, multi coluere iuuenci: | vele boeren, vele ossen verzorgen haar: |
| 56 | sic uirgo dum intacta manet, dum inculta senescit; | zo veroudert een meisje, zolang zij ongerept blijft, onverzorgd; |
| 57 | cum par conubium maturo tempore adepta est, | maar wanneer zij op rijpe leeftijd een gelijkwaardig huwelijk vindt, |
| 58 | cara uiro magis et minus est inuisa parenti. | is zij dierbaarder voor haar man en minder onwelgevallig voor haar vader. |
| 59 | Et tu ne pugna cum tali coniuge uirgo. | En gij, meisje, strijd niet tegen zulk een echtgenoot; |
| 60 | non aequom est pugnare, pater cui tradidit ipse, | het is niet rechtvaardig te strijden met hem aan wie uw vader u zelf gaf, |
| 61 | ipse pater cum matre, quibus parere necesse est. | uw vader zelf samen met uw moeder, aan wie gij moet gehoorzamen. |
| 62 | uirginitas non tota tua est, ex parte parentum est, | Uw maagdelijkheid is niet geheel van u; deels behoort ze uw ouders toe, |
| 63 | tertia pars patrest, pars est data tertia matri, | een derde deel is aan uw vader gegeven, een derde aan uw moeder, |
| 64 | tertia sola tua est: noli pugnare duobus, | slechts een derde is van u: strijd niet tegen twee, |
| 65 | qui genero suo iura simul cum dote dederunt. | die hun rechten aan hun schoonzoon hebben gegeven samen met de bruidsschat. |
| 66 | Hymen o Hymenaee, Hymen ades o Hymenaee! | Hymen, O Hymenaeus, Hymen, hierheen, O Hymenaeus! |
